Utrecht, 9 maart 2011.

In ons onderzoek naar vroeg-moderne financiële markten kijken we naar hoe mensen geld leenden om bijvoorbeeld een huis te kopen, of om grote betalingen te doen in een handelsbedrijf. Als wij nu geld nodig hebben, dan gaan wij naar de bank. Daar kan je vrij snel een kort krediet regelen. Je kunt ook heel veel geld lenen voor een lange tijd, denk aan een hypotheek voor je huis. De bank maakt dan een hypotheek-akte op en daar komt een papierwinkel bij kijken omdat je je huis als onderpand opgeeft. Meestal gaat er minimaal twee weken overheen eer dat allemaal goed is geregeld en getekend.

In de 18e eeuw was er al zoveel geld in Amsterdam verdiend dat je zou verwachten, dat er op elke hoek van de straat wel een bank stond waar je naar binnen kon lopen om je zaken te regelen. Maar dat was niet zo. Daarom moesten de meeste mensen een geldschieter zoeken via hun netwerk of een tussenpersoon. Als je een officiele schuldbekentenis liet opmaken bij een notaris- of stadskantoor, dan ging daar net als nu een tijdje overheen eer alles rond was. Daar had niet iedereen de tijd voor of zin in. Daarom regelden veel mensen die leningen onder elkaar. Dat is op zichzelf misschien niet zo vreemd, dat gebeurt nu ook wel, maar het is opmerkelijk dat men elkaar toen voor die tijd hele grote bedragen uitleende als 6.000 of 12.000 gulden zonder dat verder te laten registreren bij een notaris of een stadsambtenaar.

Zo leefde er rond 1720 een vrouwelijke Dagobert Duck in Amsterdam: de steenrijke Elizabeth Tielens. Ze leende op die manier geld uit aan kooplieden. De wetgeving en rechtspraak waren toen al zo goed geregeld dat men dat gerust op eigen houtje kon doen. Elizabeth vertrouwde haar debiteuren goed, voor een informele lening van 50.000 gulden met een zijdehandelaar draaide zij haar hand niet om. Dat is een bedrag dat gelijk staat aan maar liefst een miljoen euro vandaag de dag.

Christiaan van Bochove en Heleen Kole

Haarlem, 1 februari 2011

In de Republiek was de hervormde of gereformeerde kerk het enige geloof dat was toegestaan bij de uitoefening van publieke taken. Hoewel de hervormde kerk niet een staatskerk was, had deze beperking wel tot gevolg dat veel aanhangers van andere religies veroordeeld waren tot een bestaan buiten de publieke functies en het bestuur van de Republiek. Dat dit niet per definitie een nadeel was bewijzen de doopsgezinden uit Holland. In plaats van zich te richten op publieke functies, legden de doopsgezinden zich meer en meer toe op de ontdekking van het ‘boeck der natuere’. In de praktijk hield deze opvatting in dat het wonder van de schepping door middel van natuur- en sterrenkunde bestudeerd werd. Deze fascinatie van de doopsgezinden leidde onder andere tot de aankoop van een uitgebreid natuurkundig kabinet met natuurkundige instrumenten, dat in de fysicatheologische traditie gebruikt werd om predikanten op te leiden.

In Haarlem leidde deze fascinatie tot de oprichting van het destijds grootste natuurkundige museum van Nederland, gefinancierd door de nalatenschap van Pieter Teyler van der Hulst. Helaas zorgde de (wellicht Calvinistisch ingegeven) spaarzucht van de beheerders van het fonds ervoor dat de collectie niet uitgroeide tot wat het had kunnen zijn. Ondanks herhaaldelijk aandringen van Martinus van Marum, de directeur van het museum en kabinet, werd er maar mondjesmaat geld toegezegd. Zo groeide het kapitaal van de Teyler stichting gestaag door in de miljoenen, werd er belegd in aandelen uit Rusland, Holland, Engeland en zelfs in aandelen uit de zojuist opgerichte Verenigde Staten, maar leidde de collectie een zieltogend bestaan in de negentiende eeuw. Gelukkig is datgene wat er wel is aangekocht goed geconserveerd en nog steeds te bezichtigen in het prachtige museum te Haarlem.

Ruben Schalk

Leiden, 16 januari 2011

Mijn zoektocht naar de rol van geld in vroegmoderne wetenschap voert me langs tal van bijzondere en opmerkelijke wetenswaardigheden. Onderzoek en wetenschap waren vroeger vooral een individuele aangelegenheid, gestimuleerd door de connecties van vooraanstaande hoogleraren. Hoewel de Universiteit van Leiden in 1601 al bij de Staten Generaal aandrong dat de schepen uit Azië ‘kruyden, gommen, gedierte, opwersel van de zee en diergelijcke’, voor de botanische tuin moesten meenemen, waren de bestuurders van de Universiteit niet van plan hier veel geld aan uit te geven. Zo berispten ze in 1619 de beroemde hoogleraar Otto Heurnius absoluut geen ‘instrumenten meer te kopen zonder hun voorweten’. Wel kreeg de Universiteit later nog in het bezit een ‘boomgans, een Draeck, een veer van een Vogel Phenix en de Huyt van een Meer-minne’.

Van meer belang was de omvangrijke private collectie van de Enkhuizener arts en verzamelaar Bernardus Paludanus. Hoewel hij zich meer sceptisch opstelde tegenover al dit soort spectaculaire vondsten, geloofde ook hij nog in de ‘wonderlijke’ paradijsvogel. Niet alleen was dit dier zeer gewild vanwege zijn mooie kleuren, maar het werd ook gezien als goddelijk omdat hij zijn hele leven vloog ‘sonder op d’aerde te comen: want hebben gheen voeten’. Voor de contemporaine aanschouwer in Europa had de vogel inderdaad geen voeten; lokale preparateurs verwijderden deze en soms braken ze af gedurende het transport. Het zou nog tot ver in de zeventiende eeuw duren voordat men ervan overtuigd was dat de paradijsvogel geen wonderlijke vogel was. Tegen deze tijd was het geloof in de heilige eenhoorn ook al een stille dood gestorven, toen was ontdekt dat de hoorn afkomstig bleek te zijn van een narwal. Gelukkig kunnen we nog steeds het wereldbeeld van deze periode begrijpen door het lezen van tal van verhandelingen over deze mythische dieren, zoals de hierboven afgebeelde titelpagina van een verhandeling over de paradijsvogel (zonder pootjes).

Ruben Schalk

Amsterdam, 13 januari 2010

De ANWB wekt bij mij altijd de indruk een erg bedaagde organisatie te zijn. Zij keuren campings, regelen pechhulp en verkopen allerhande vakantieartikelen – en dat allemaal op een zeer degelijke manier. Nog niet zo lang geleden hebben zij echter een mijlpaal in de financiële geschiedenis gezet. Dit is niet iets wat je op het eerste gezicht van de ANWB zou verwachten, maar het is wel echt waar. Door niet langer de Internationale Reis- en Kredietbrief (IRK) aan te bieden, hebben zij het tijdperk van de wisselbrief definitief afgesloten.

De IRK werkte als volgt: voor een paar tientjes kocht je de IRK, in de vorm van officieel uitziende briefjes, bij de ANWB. Mocht je nu in het buitenland pech krijgen, dan kon je de garagehouder met die briefjes betalen – je hoefde dus geen cash op zak te hebben. De garagehouder stuurde de briefjes naar de ANWB, of een van zijn buitenlandse zusterorganisaties, en kreeg zijn geld. Bij thuiskomst lag er een rekening van de ANWB klaar die je gewoon in de eigen valuta kon voldoen. De IRK was hiermee bijna identiek aan de wisselbrief, die eeuwenlang door koopmannen als betalingsinstrument gebruikt is.

Het besluit van de ANWB vormde zo het einde van het tijdperk van de wisselbrief – een tijdperk dat rond 1260 in Genua begon. Hoeveel campinginspecteurs zouden zich daarvan bewust zijn?

Lodewijk Petram

Culemborg, 11 januari 2011


Sinds vandaag heeft het museum Jan van Riebeeckhuis te Culemborg een nieuwe conservator, namelijk: ik! Voor mij persoonlijk een hele eer en een leuke kans natuurlijk, maar waarom is dit ook een leuk nieuwtje voor op dit blog over geld in de Gouden Eeuw? Dit heeft alles te maken met de persoon Jan van Riebeeck.

Jan van Riebeeck werd op 21 april 1619 geboren als zoon van de Culemborgse chirurgijn Anthony Janszoon van Riebeeck en zijn vrouw Elisabeth Govertsen. Elisabeths vader Govert Anthoniszoon, notaris en later schepenburgemeester van Culemborg, bewoonde het zestiende-eeuwse pand aan de Achterstraat. Volgens sommige historici is Jan van Riebeeck daadwerkelijk in het huis van zijn grootvader geboren, omdat Anthony van Riebeeck in 1621, twee jaar na de geboorte van zijn zoon, verklaarde dat hij “dagelix in sijne huisvrou vaders huis verkeert heeft”. Hoe het ook zij, er mag in ieder geval van uitgegaan worden dat Van Riebeeck bij zijn grootvader op bezoek kwam. 

 

Lees de rest van dit artikel »

Utrecht, 6 januari 2011

Het was even stil op ons blog omdat we allemaal weer vol aan de studie en het onderzoek waren, maar we hebben niet helemaal stilgezetten. We zijn nog steeds van plan het spel te maken en we hebben geld gevraagd en gekregen van De Jonge Akademie. Aanstaande maandag gaat er een subsidieaanvraag naar NWO en er is inmiddels ook contact geweest met o.a. Hans Goedkoop van de publieke omroep om te onderzoeken of ons Spel van de Gouden Eeuw onderdeel kan worden van hun historische media-activiteiten. Het Netherlands Institute for Advanced Studies wordt ook een partner van het spel en we praten nog met de Hogeschool voor de Kunsten over samenwerking. Wordt vervolgd dus….

Oscar Gelderblom

Utrecht, 28 oktober 2010

Een beetje uitgeblust achter de laptop. Las net met veel plezier de rake impressie die Erik Hardeman van onze avonturen in Leiden maakte voor DUB nieuws! Vanmorgen om half vijf wakker geworden uit een nare droom over vergeefse pogingen om wetenschap te populariseren. Toen maar opgestaan en alle vrienden en collega’s gemaild om ze te bedanken voor hun steun. Veel warme woorden en bemoedigingen teruggekregen. Ook concrete suggesties om geld te vinden. Voor de mensen die ik nog niet bereikt heb die wel op ons gestemd hebben: bedankt! 
Met het team komen we volgende week samen om even terug te kijken, maar vooral om vooruit te kijken. In ieder geval hebben we in Leiden kunnen laten zien dat het Spel een prachtige manier is om ons onderzoek voor een breed publiek toegankelijk te maken. Ik hoop nog steeds dat het ons gaat lukken het spel te maken, zodat iedereen het kan spelen. We gaan er echt alles aan doen!

Oscar Gelderblom

Utrecht, 25 oktober 2010

Met de finale van de Academische Jaarprijs in het vooruitzicht worden er binnen Team Gelderblom druk voorbereidingen getroffen. Wat willen we de jury gaan vertellen? Wie van ons toch wel grote team gaat ons plan aan de jury presenteren? Zullen we nog een filmpje laten zien of juist niet? Kunnen we nog regelen dat de drie leden van ons team die op de dag van de finale in Utrecht hun bul uitgereikt krijgen, toch ook aanwezig zijn in de Stadsgehoorzaal in Leiden? Allemaal vragen die hier de afgelopen dagen door het hoofd spookten en waar we een antwoord op moesten vinden. Met behulp van Alex van De Praktijk hebben we inmiddels duidelijk gekregen wie wat wanneer gaat zeggen en welk beeldmateriaal we zullen gaan gebruiken. Rest ons nog enkel te oefenen, oefenen en nog eens oefenen zodat we een verpletterende indruk maken op de jury. Voor wie het nog niet gedaan had, stem hier nog snel even op ons team voor de publieksprijs, alvast heel hartelijk bedankt!

Lieneke Westerink

Utrecht, 22 oktober 2010

Niets is zo ontspannend als even in je lunchpauze een paar minuutjes een game te spelen. Daarnaast is gamen ook gewoon heel leuk en spelen steeds meer mensen online spelletjes. Daarom is ons Spel van de Gouden Eeuw ook zo’n goed idee. Maar hoe overtuig je anderen daarvan? Wij hebben helaas niet de middelen om met marktonderzoeken en fancy grafieken aan te tonen dat een online spel een heel goed idee is om wetenschap naar een breder publiek te vertalen. Gelukkig is de Gerrit Zalm het roerend met ons eens. Sterker nog, toen Alex en ik gister zijn kantoor binnen kwamen stond de game Civilization 4 nog speelklaar op zijn beeldscherm. En inderdaad, ook Gerrit Zalm blijkt een fanatiek gamer, zelfs ‘tussen de vergaderingen door’. Hij kijkt dan ook erg uit naar het moment waarop hij ons Spel van de Gouden Eeuw kan gaan spelen. Het historische strategische aspect, de echte historische gebeurtenissen en de afweging tussen risico en spelen op safe – ‘als bankier kan ik geen grote risico’s nemen’ – spreken hem erg aan.  Gerrit Zalm was zo aardig om dat voor de camera te herhalen, zodat ons team op de finaledag volgende week woensdag helemaal een verpletterende indruk kan maken. Hoeveel marktonderzoeken heb je eigenlijk nog nodig als zelfs de beste minister van financiën van de twintigste eeuw niet kan wachten om het Spel van de Gouden Eeuw te gaan spelen?

Ruben Schalk

20 oktober 2010, Oxford

Ik zou jullie kunnen vertellen hoe normaal de Universiteit van Oxford eigenlijk is. Dat je ook hier de studenten kan indelen in hard-studerend versus voornamelijk-drinkend, van de zeer-sportief-geinteresseerden tot kunst-fanatiekelingen. Dat in seminars sommige studenten hun uiterste best doen om te profileren hoe slim ze zijn en hoeveel ze weten van een bepaald onderwerp, terwijl anderen wegduiken achter een meegenomen laptop, enkel af en toe iets fluisterend. Dat studenten hier ook gewoon studenten zijn, die bier drinken, in spijkerbroeken en gympen lopen en in de bibliotheek studeren met lange pauzes tussendoor.

Maar het is veel leuker om te focusen op de dingen die anders zijn in Oxford, die de universiteit net dat beetje extra geven. Bijvoorbeeld het Graduate Freshers Dinner dat ik afgelopen dinsdag bijwoonde, waarbij de Rector van de college ons vertelde dat we nu behoorden tot “one of the most exclusive clubs in the world”, waar we voor het eerst de toost Floreat Exon leerden uitspreken. Of de opening van het complex waar ik woon, het spiksplinternieuwe Exeter House, waar een kwartier gespeecht werd in het Latijn. Maar boven alles was daar gisteren Matriculation, de officiële toelating van Freshers tot de universiteit. Gekleed in Gown and Sub-fusc gingen we met alle nieuwelingen van de college op de foto, liepen in kledij door de stad en werden officiëel ingezegend door de Vice-Chancellor, met natuurlijk een eeuwenoude spreuk in het Latijn.

Meest bizarre detail van de dag: de niet gedragen mortarboard. Het hoofddeksel dat ik speciaal voor deze gelegenheid had aangeschaft, mocht ik absoluut niet op mijn hoofd zetten. De mortarboard wordt namelijk alleen op het hoofd geplaatst tijdens de officiële Graduation Ceremony. Bij andere officiële gelegenheden hoort de hoed wel bij je outfit maar mag alleen in de hand worden meegedragen. Aangezien ik nooit in Oxford zal afstuderen, zal de heugelijke dag van het eindelijk mogen dragen van de mortarboard voor mij nooit aanbreken. Of zal ik het wagen tijdens mijn Utrechtse afstudeerceremonie?

Karen Hollewand

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.