Woerden/Breukelen, 22 januari 2010

Om met een fris hoofd het afgelopen jaar te bespreken en het komende te plannen wandelen Oscar en ik van Woerden naar Breukelen. Druk pratende dwalen we al snel af, ook letterlijk: we vergeten op te letten en lopen langs een asfaltweg in plaats van de Hollandse Kade. Inhoudelijk concentreren we ons op de vraag, wanneer Amsterdam eigenlijk een internationaal financieel centrum werd en waardoor dat kwam. Antwerpen had in ieder geval tot de jaren 1640 een grotere internationale wisselmarkt, vooral dankzij de betrokkenheid van kooplieden aan de Schelde bij de Spaanse handel en financiën. Die branche zakt in na het Spaanse staatsbankroet van 1647 en de Vrede van Münster het jaar daarop. Maar wanneer en waardoor nam Amsterdam dan die positie over? Al discussiërend formuleren we waarschijnlijke factoren, daaraan verbonden onderzoeksstrategieën en een vermoedelijke toedracht. Met zijn gebruikelijke voortvarendheid vat Oscar vervolgens ’s avonds thuis het gesprek samen tot het raamwerk voor een paper. Nu nog een plaatsje daarvoor vinden in ons onderzoeksprogramma…

 Joost Jonker

Utrecht, 19 januari 2010

Eén van de centrale vragen binnen mijn onderzoek is of en zo ja hoe notarissen een rol speelden als intermediairs op de Nederlandse kapitaalmarkt. Onderzoek naar Parijs heeft laten zien dat notarissen daar erg actief waren in zo’n rol. Waar de specifieke context van Parijs resulteerde in een enorm groot aantal datapunten, vinden wij er echter veel minder. Dit zou kunnen betekenen dat men in Nederland andere manieren had om aan geld te komen. Een maatregel van burgermeesters en vroedschap van Utrecht – te vinden in het Groot placaatboek van Johan van de Water (1729) – laat zien dat daar in ieder geval al in 1669 (de ordonnantie werd in 1687 herzien) makelaars geldschieters zochten voor hun klanten. Maar wie waren die makelaars precies? Over die vraagt zegt de ordonnantie helaas niets. Heel rijk zullen de makelaars er in ieder geval niet van geworden zijn: de ordonnantie stelde namelijk ook de tarieven vast waartegen zij hun diensten mochten aanbieden. Zo is in artikel zeven bijvoorbeeld te lezen: “[…] sullen de Makelaars, van penningen die zy op deposito, voor partyen soecken, lichten, ende nemen, op obligatien, ofte plechten, genieten, te weten van capitalen bedragende ses hondert guldens, ende daar onder, van yder hondert 10 stuyvers […]”. De transactiekosten bedroegen dus 50 cent (de tien stuivers) per honderd gulden; ofwel slechts ½%. En dit percentage werd ook nog eens lager naarmate de lening groter werd. De makelaar moest het dus doen met een zeer bescheiden provisie. Met een bescheiden kapitaalmarkt als de Utrechtse zou dit wel eens kunnen betekenen dat het makelen gecombineerd werd met andere werkzaamheden. Hopelijk komen we er dit jaar precies achter hoe deze dienstverlening georganiseerd was.

Christiaan van Bochove

Amsterdam, 14 januari 2010

De mogelijkheid om geld te lenen is een belangrijke motor voor economische groei. Maar een kerkelijk verbod op het berekenen van rente vormde hier tot het einde van de Middeleeuwen een ernstige belemmering voor. Als kredietverlener keek je wel uit om geld aan iemand te lenen: je liep wel het risico dat je het nooit meer terugzag, maar je mocht geen vergoeding voor dat risico berekenen.

Het kerkelijke verbod kwam voort uit de woorden van Mozes (Deuteronomium 23:19/20): ‘Gij zult aan uw broeder niet woekeren’. De gangbare uitleg van deze woorden was: je mag je geloofsgenoten niet uitbuiten en daarom mag je geen rente berekenen. De Reformatie bracht hier verandering in. De Bijbel werd grondig uitgeplozen en kerkgeleerden kwamen erop uit dat je volgens Leviticus 25:35 en Exodus 22:25 wel rente mag berekenen, zo lang je mensen daarmee niet in problemen brengt. Je mag je welgestelde broeder best woekeren, als je dit maar uit je hoofd laat bij je arme broeder. Deze delen van de Bijbel zijn ouder dan Deuteronomium, dus men redeneerde dat Mozes ervan uitging dat iedereen dit al wist en dat hij het onderscheid arm-rijk niet zo specifiek hoefde te maken.

Read the rest of this entry »

Amsterdam, 11 Januari 2010

Dutch interest rates – who does not want to know about them?! Since 2004 Joost and I are trying to write a paper explaining why the Dutch government in the 17th century paid the lowest interest rates of Europe.

The paper has been published online under four different titles, we have presented it at least a dozen times, and every time we found it wanting of a convincing explanation for the ‘Dutch Miracle’.

But now we are almost done. I am writing a first draft of the conclusion and, hopefully, by the end of this month, we can submit it to a journal.

Oscar Gelderblom

Utrecht, 7 Januari 2010

In the United Kingdom for a few years now and in France for a few months, a passionate, albeit slightly surreal, debate has been going on around the concepts respectively of Britishness and Identité Nationale. As a FOT*, I was interested to find out what the Dutch had to answer to this fashionable question: what are we?

I was thus glad to be given Groeten Uit Nederland, the DVD issued by the government for the foreigners seeking naturalization. Key concepts are quickly presented in a series of short films to acquaint the candidates with the local society: democracy, family, female issues, health, work, religion, symbols and – most importantly for this blog – money.

Each of these short features (10 minutes) takes place in a different city, the one about money is set in Amsterdam. The camera follows a group of soon-to-be subjects of Beatrix roaming around the city discussing economic matters.

It was particularly heart-warming for me to realize that the best way the director had found to introduce the candidates to the issue at hands was to organize the visit of a VOC ship in the Amsterdam harbour. Most of these men and women had come to the Netherlands looking for better living standards and they were logically brought to the very place where this country’s wealth originated to appreciate its causes: openness and entrepreneurship. Talk about hearts and minds!

In between a snow fall and a pancake, this small orange country has yet another lesson to provide to its larger self-hating European neighbours: it’s the economy stupid! Look nowhere else for Britishness than between the Bank of England and the London Stock Exchange and the Identité Nationale is more likely to be found in La Défense than under the Arc de Triomphe!

Benjamin Guilbert

Onlangs raakte ik tijdens de promotieborrel van een oud-collega aan de praat met een andere oud-collega die onderzoek heeft gedaan naar homoseksualiteit in Holland tijdens de vroegmoderne tijd. Op het eerste oog weinig raakvlakken met ons onderzoek naar financiële markten. Tot ik uitlegde dat ik momenteel onderzoek doe naar de rol van tussenpersonen – zoals notarissen – op de secundaire markt voor overheidsobligaties. De collega in kwestie – zie de verwijzing hieronder voor zijn publicaties – wees mij op een episode uit 1776 die hij in zijn eigen onderzoek naar netwerken van homoseksuelen was tegengekomen. Read the rest of this entry »

Eén van de dingen waar we ons momenteel mee bezighouden is de bestuursorganisatie van de VOC, wat tegenwoordig heet de corporate governance. Dit najaar schreven Oscar en ik er met Abe de Jong (EUR) een paper over voor een congres op Yale University. Daarin lieten we enerzijds zien hoe het bedrijf eigenlijk niet als particuliere onderneming, maar als staatsbedrijf met particuliere aandeelhouders gezien moet worden. Toentertijd al maakten mensen als Isaac Lemaire en Willem Usselinx fundamenteel bezwaar tegen de manier waarop aandeelhouders door bewindhebbers met steun van de overheid rechteloos gemaakt werden zodat er ongestoord een groot koloniaal rijk kon worden opgebouwd. In het vervolg daarvan verdiep ik me in een verwoede pamflettenstrijd tussen boze aandeelhouders en bewindhebbers voorafgaand aan de eerste verlenging van het octrooi in 1622. Het ging er in die pamfletten soms fors aan toe: beschuldigingen van corruptie en zelfverrijking, incompetentie, vriendjespolitiek… Interessant is ook de klacht van de aandeelhouders dat de VOC teveel vreemd vermogen opneemt. Als een gewoon koopman zoveel geld opneemt, zo stellen zij, dan zegt men al gauw dat die zich niet lang staande zal kunnen houden en bij de volgende verrekendag bankroet zal gaan. Aan het begin van de zeventiende eeuw vonden zakenlieden dus kennelijk al dat krediet mondjesmaat gebruikt moest worden, een norm die tot diep in de twintigste eeuw bij veel bedrijven bleef gelden.

Joost Jonker

 

Voor mijn onderzoek naar de Nederlandse investeringen in Denemarken vanaf het midden van de achttiende eeuw probeer ik momenteel vast te stellen of er in 1765 nu wel of niet 10 miljoen gulden opgehaald werd door het Amsterdamse bankiershuis Clifford. Eén van de experts op dit gebied (Riley) meent namelijk dat het bedrag overdreven is. De gescande edities van de Leidsche Courant bieden uitkomst. De krant kan redelijk handig op tekst doorzocht worden en zo kwam ik al gauw bij een advertentie van 27 september 1769 uit. Er wordt aangekondigd dat er 125 obligaties – ‘het agtste gedeelte’ – ter aflossing geloot zullen worden. Aangezien dit soort obligaties doorgaans – en naar later bleek ook in dit geval – in bedragen van 1,000 gulden werden uitgegeven, was de rekensom snel gemaakt: 8 * 125 * 1,000 = 1 miljoen gulden. Fors minder dus… Al verder lezend bleek er echter nog een belangrijke passage te zijn: daar waar uitgelegd wordt dat het gaat om de genoemde 125 obligaties met én zonder letter. De genoemde obligaties werden namelijk ook uitgegeven in combinatie met de letters A tot en met I. In totaal maakt dat dus 10 reeksen van 1 miljoen gulden ofwel een totaal van 10 miljoen gulden. Hoe oud nieuws toch nog nieuwe informatie kan bevatten!

Christiaan van Bochove

Utrecht, 18-12-2009

Vrijdagmiddag, net voor de kerstvakantie, nog even snel naar het archief om de octrooiverlenging van de VOC uit 1622 te kopiëren en om een dagboekje te bekijken dat omstreeks die tijd werd bijgehouden door Arnoldus Buchelius (1565-1641), Utrechts bewindhebber van de Amsterdamse VOC kamer. Het dagboekje – met ook de oudste plattegrond van Manhattan – is helaas in New York voor een tentoonstelling. Maar het Charter is er. Met Abe de Jong en Joost Jonker schrijven we een paper over de woede van sommige aandeelhouders die de VOC zich op de hals haalde met haar beleid in de eerste twintig jaar na haar oprichting. En ik was niet de enige die nog snel even wat materiaal insloeg voor de kerstvakantie. Peter Koudijs en Lodewijk Petram werken ook aan een mooi VOC incident – de plotselinge en scherpe daling van de koers van het aandeel in 1688 – een onderwerp dat zij duidelijk leuker vinden dan de geruïneerde aandeelhouders in die tijd.

Oscar Gelderblom

Amsterdam, 14 december 2009

Als het goed gaat met de beurs hoor je links en rechts nog wel eens mensen (meestal mannen en dan vooral van het pocherig slag) over hun beleggingssuccessen praten. Maar in tijden dat opscheppers minder mededeelzaam zijn, wordt er ook direct nauwelijks meer over geld gesproken; het wordt in Nederland ongepast gevonden om naar geldzaken te informeren.
Het zou interessant zijn om eens na te gaan wanneer die etiquette is ontstaan, maar één ding staat zonder nader onderzoek al vast: in de Gouden Eeuw golden dergelijke omgangsnormen nog niet. Praten over geld was de normaalste zaak van de wereld en het onderwerp kwam op soms wel heel ongelukkig gekozen momenten ter sprake. Neem nou de brief van Daniel de Neufville aan Andrew Russell (6 september 1677), waarin De Neufville zijn medeleven betuigde over het kort daarvoor overleden zoontje van Russell. De Neufville kon niet geloven dat juist dit kind was gestorven: het had er zo ‘cloek en voorspoedigh’ uitgezien de laatste keer dat hij het zag, echt bij uitstek een kind ‘daermen op het oogh lijfrenten op soude hebben gecoft’. Veel verder reikte het medeleven van De Neufville niet, de rest van de brief ging – hoe kan het ook anders – over geldzaken.

Lodewijk Petram

Welkom op het weblog van Geld in de Gouden Eeuw! Als team, onder leiding van Oscar Gelderblom en Joost Jonker, zijn wij bezig met de ontwikkeling van een online single player game getiteld 'Het Spel van de Gouden Eeuw'. Door tijdens het spel in het Amsterdam van de 17e eeuw geld te verdienen, geld te verliezen, te beleggen en te investeren, leren spelers over de werking van een financiële markt. We gebruiken de data verzameld gedurende ons onderzoek om het spel vorm te geven. Via dit weblog houden we iedereen op de hoogte van de vorderingen van ons team op weg naar de realisering van het spel en ons dagelijks leven als (jonge) wetenschappers.

Foto's op Flickr

Discovery '09: Liquid Assets

Discovery '09: Liquid Assets

Discovery '09: Liquid Assets

Discovery '09: Liquid Assets

Discovery '09: Liquid Assets

More Photos