Haarlem, 1 februari 2011
In de Republiek was de hervormde of gereformeerde kerk het enige geloof dat was toegestaan bij de uitoefening van publieke taken. Hoewel de hervormde kerk niet een staatskerk was, had deze beperking wel tot gevolg dat veel aanhangers van andere religies veroordeeld waren tot een bestaan buiten de publieke functies en het bestuur van de Republiek. Dat dit niet per definitie een nadeel was bewijzen de doopsgezinden uit Holland. In plaats van zich te richten op publieke functies, legden de doopsgezinden zich meer en meer toe op de ontdekking van het ‘boeck der natuere’. In de praktijk hield deze opvatting in dat het wonder van de schepping door middel van natuur- en sterrenkunde bestudeerd werd. Deze fascinatie van de doopsgezinden leidde onder andere tot de aankoop van een uitgebreid natuurkundig kabinet met natuurkundige instrumenten, dat in de fysicatheologische traditie gebruikt werd om predikanten op te leiden.
In Haarlem leidde deze fascinatie tot de oprichting van het destijds grootste natuurkundige museum van Nederland, gefinancierd door de nalatenschap van Pieter Teyler van der Hulst. Helaas zorgde de (wellicht Calvinistisch ingegeven) spaarzucht van de beheerders van het fonds ervoor dat de collectie niet uitgroeide tot wat het had kunnen zijn. Ondanks herhaaldelijk aandringen van Martinus van Marum, de directeur van het museum en kabinet, werd er maar mondjesmaat geld toegezegd. Zo groeide het kapitaal van de Teyler stichting gestaag door in de miljoenen, werd er belegd in aandelen uit Rusland, Holland, Engeland en zelfs in aandelen uit de zojuist opgerichte Verenigde Staten, maar leidde de collectie een zieltogend bestaan in de negentiende eeuw. Gelukkig is datgene wat er wel is aangekocht goed geconserveerd en nog steeds te bezichtigen in het prachtige museum te Haarlem.











Plaats een reactie
Feed met reacties voor dit artikel